Publicaties
Agrico Research

Het segment "vroege friet"

De agrarische sector is continu in beweging. Ook in de aardappelsector is het tempo van verandering en innovatie hoog. De strengere wetgeving op het gebied van gewasbescherming speelt hierin een belangrijke rol. Het toepassen van het veelgebruikte gewasbeschermingsmiddel Chloor IPC voor de lange bewaring van aardappelen is vanaf oogst 2020 niet meer toegestaan. Dit is van invloed op bijvoorbeeld de markt voor frietaardappelen.

De verwerking van vroege friet aardappelen start normaal gesproken rond half juli. Hiervoor worden aardappelrassen gebruikt die bij het segment “vroege friet” horen. De Agrico rassen Première en Sinora, en het (nieuwe) Agrico ras Ravel zijn veel gebruikte rassen in dit segment. Ook de vrije rassen Anosta en Frieslander worden gebruikt voor de vroege friet.

Een vroeg frietras kenmerkt zich doordat de groeicyclus sneller gaat. Dit geldt voor de opkomst, loofontwikkeling, eventuele bloei, knolzetting, knolgroei en knolvulling. Op het einde van de groeicyclus nemen deze rassen weinig water op, waardoor het drogestofgehalte in de knollen rond de 22% (OWG 400) uitkomt. Dit zijn goede eigenschappen voor de verwerkende industrie.

De drogestof verkrijgt de plant door het proces van fotosynthese in het loof. Als het groeiproces sneller gaat is de duur dat de fotosynthese kan plaatsvinden korter en kan er minder geproduceerd worden. Dit zorgt ervoor dat vroege frietrassen relatief lage opbrengsten hebben. Consumptietelers die vroege frietrassen telen worden hiervoor gecompenseerd met een hogere prijs voor de aardappelen.

Het kweken van nieuwe rassen die geschikt zijn voor het segment “vroege friet” is een uitdaging. Het lukt (nog) niet om rassen te kweken die alle drie de gewenste eigenschappen voor dit segment binnen een groeiperiode 90 dagen kunnen realiseren:

  • Voldoende droge stof
  • Voldoende grofte
  • Voldoende knollengte

Een vroege aardappel kan wel vroeg in het groeiseizoen lange en grove knollen geven, maar dan niet met een onderwatergewicht van 400. Grove knollen met een hoog onderwatergewicht is ook mogelijk, maar dan blijven de knollen vaak rond qua vorm. Rassen als Première en Sinora zijn dan ook frietrassen met relatief ronde knollen. Dit is als grondstof voor veel producten van de verwerkende industrie minder geschikt.

De frietindustrie kiest ervoor om te starten met vroege frietrassen, terwijl de aardappelen steeds langer bewaard kunnen worden. Rassen zoals Fontane, Agria en Markies kunnen tegenwoordig van oktober tot half juli worden bewaard. Wellicht zouden deze rassen nog langer kunnen worden bewaard, maar met het wegvallen van het veelgebruikte product ChloorIPC wordt de lange bewaring van aardappelen uitdagender en zal meer gaan kosten. Aardappelen kunnen op lagere temperaturen langer worden bewaard, maar hierbij is het risico dat de aardappels verzoeten. Daarnaast kost dit veel elektrische energie om de koeling ook in de warmere maanden te laten draaien. De verwachting is dat de markt voor vroege frietrassen om deze redenen nog lang zal bestaan. Wel wordt er continu gezocht naar rassen die niet verzoeten bij lage temperaturen en rassen met een lange kiemrust. Tot slot is er vanuit de verwerkende industrie behoefte aan vroege frietrassen die qua vleeskleur aansluiten bij de andere rassen (zowel witter als geler dan de Première).